De Britse regering heeft onlangs aangekondigd dat zij in totaal 60 miljoen pond aan financiering zal verstrekken aan de Universiteit van Oxford en University College London (UCL) om twee nieuwe onderzoekslaboratoria voor kunstmatige intelligentie op te richten, gericht op de ontwikkeling van open source AI-modellen met lage hardwarevereisten om concurrerend te blijven in de mondiale AI-concurrentie en de afhankelijkheid van grote Amerikaanse technologiebedrijven te verminderen. Dit plan werd aangekondigd ter gelegenheid van de 114e verjaardag van de geboorte van computerwetenschapspionier Alan Turing en wordt door de Britse regering beschouwd als een belangrijke lay-out in fundamenteel AI-onderzoek en technologische soevereiniteit.

Volgens de regeling zullen de middelen de komende zes jaar worden toegewezen aan twee nieuwe academische onderzoeksinstellingen om de fundamentele wiskundige principes en systeemarchitectuur van AI te reconstrueren. Het doel is om een ​​efficiënter en gemakkelijker te implementeren model te creëren zonder afhankelijk te zijn van een ultragrootschalige computerinfrastructuur. Dit staat in schril contrast met de dure, gesloten en sterk afhankelijke computerbronnen van grote modelroutes die momenteel in de Verenigde Staten en andere plaatsen worden gepromoot. De Britse kant hoopt dat het door de ontwikkeling van dit ‘low hardware, open source’ technologiepad de huidige situatie kan doorbreken waarin een paar Amerikaanse technologiegiganten de kerntechnologieën en de ecologie beheersen.

In een commentaar op het besluit zei de Britse minister van AI-zaken Kanishka Narayan dat de mensheid nog maar net is begonnen het enorme potentieel van kunstmatige intelligentie te ontketenen bij het bevorderen van de economische groei en het verbeteren van openbare diensten, en dat het Verenigd Koninkrijk, met zijn universiteiten van wereldklasse en een grote AI-talentenpool, het vermogen heeft om de agenda te bepalen voor de volgende fase van de AI-ontwikkeling. Hij benadrukte dat deze twee nieuwe laboratoria zich zullen richten op het goedkoper en praktischer maken van AI, en gemakkelijker adopteerbaar worden door bedrijven en de publieke sector, waardoor meer Britse instellingen hiervan zullen profiteren. Narayan wees erop dat Groot-Brittannië, door deze capaciteit in eigen land op te bouwen en te vertrouwen op de wetenschappelijke onderzoekskracht van zijn universiteiten, niet alleen zijn eigen technologische accumulatie kan versterken en zijn afhankelijkheid van andere landen kan verminderen, maar ook zijn leidende positie op het mondiale AI-veld kan consolideren.

Aanvankelijk was het plan van de Britse regering om 40 miljoen pond in één laboratorium te investeren, maar uit het laatste besluit blijkt dat dit plan is uitgebreid om een ​​grotere hoeveelheid geld over twee laboratoria te verdelen. De regering zal ongeveer 2 miljoen pond aan elk laboratorium toewijzen om ten minste tien doctoraatsstudenten te rekruteren, waarbij wordt gestreefd naar het aantrekken van toptalent op het gebied van AI-onderzoek in verschillende carrièrefasen, van doctoraal niveau tot senior wetenschappers, en op de lange termijn de Britse talent- en onderzoeksreserves op dit gebied verder zal uitbreiden. Dit betekent ook dat de relevante investering niet alleen projectfondsen betreft, maar ook een langetermijnmaatregel om de AI-innovatiecapaciteiten van het land te versterken door een nieuwe generatie onderzoekers te cultiveren.

Er wordt ook verwacht dat het nieuwe laboratorium nauw zal samenwerken met bestaande AI-onderzoekskrachten in Groot-Brittannië, waaronder instellingen als het Alan Turing Institute en de AI Research Hub onder het British Research and Innovation Agency (UKRI). Door de samenwerking tussen deze teams te bevorderen hoopt de regering een efficiëntere gesloten lus te vormen tussen basistheorie en praktische toepassing, en de geboorte en implementatie van nieuwe algoritmen, nieuwe architecturen en nieuwe hulpmiddelen te versnellen. Dit collaboratieve R&D-model wordt beschouwd als een van de belangrijkste elementen van het "snel winnen" in de internationale concurrentie.

Vanuit een langetermijnperspectief wordt deze stap beschouwd als een substantiële uitdaging voor Amerikaanse technologiebedrijven, op voorwaarde dat deze Britse laboratoria met succes de open source-architectuur kunnen opschalen en een volwassen ecosysteem kunnen vormen. Zodra open-source modeloplossingen met een lage hardwaredrempel op grote schaal worden gebruikt, hoeven instellingen in verschillende landen bij het adopteren van AI-technologie mogelijk niet langer gebonden te zijn aan propriëtaire platforms die door een handvol Amerikaanse fabrikanten zijn gebouwd. Voor Britse bedrijven en de publieke sector betekent dit dat AI-capaciteiten kunnen worden verworven en geïntegreerd in de dagelijkse activiteiten en diensten zonder hoge buitenlandse licentiekosten te betalen of te investeren in een speciale serverinfrastructuur.

Tegen de achtergrond van een sterk geconcentreerde mondiale AI-industrie wordt de Britse investering van 60 miljoen pond gezien als een poging om een ​​alternatief te vinden voor de ‘computerwapenwedloop’ en om gedifferentieerde voordelen te creëren in open source en fundamenteel onderzoek door middel van uitgebreide aanpassingen aan systemen, talenten en technische routes. Ongeacht het kortetermijneffect biedt dit project een belangrijk experiment voor Europa om een ​​onafhankelijk pad op het gebied van AI te verkennen, en voegt het ook een nieuwe variabele toe aan de multipolarisatie van het mondiale AI-bestuur en de technologie-ecologie.