Een nieuwe studie gepubliceerd in het tijdschrift ‘Animal Behavior’ laat zien dat in een ‘natuurlijk helpen’-scenario waarin geen expliciet verzoek om hulp nodig is, het spontane prosociale gedrag van gedomesticeerde honden meer lijkt op dat van menselijke kinderen van 16 tot 24 maanden, terwijl huiskatten aanzienlijk verschillen. Het onderzoeksteam selecteerde drie groepen proefpersonen: jonge kinderen tussen de 16 en 24 maanden oud, gezelschapshonden zonder speciale training, en gezelschapskatten die in vergelijkbare menselijke familieomgevingen leven. Er zijn aanzienlijke verschillen in de ecologische, evolutionaire en ontwikkelingsachtergronden van de drie, maar ze hebben allemaal nauw dagelijks contact met mensen.

In het experiment verborg de onderzoeker in het geheim een ​​object in de aanwezigheid van de proefpersoon, en vroeg vervolgens een bekende verzorger (ouder of eigenaar van het huisdier) om het object te vinden zonder de proefpersoon rechtstreeks te vragen om te onderzoeken of de proefpersoon spontaan zou deelnemen aan 'helpen'. De studie registreerde de blikrichting, de benadering en de manipulatie van objecten van de proefpersonen, en onderscheidde gedragingen die eenvoudigweg verklaard konden worden door 'stimulusverbetering' (zoals benaderingen en aanrakingen gedreven door nieuwsgierigheid of interesse) en 'aanwijs-' of 'ophaalgedrag' dat waarschijnlijker prosociale neigingen weerspiegelt.

De resultaten toonden aan dat er geen significante verschillen waren tussen de drie groepen peuters, honden en katten in de mate van aandacht die aan de verzorger en het doelobject werd besteed, en dat alle drie de soorten evenveel aandacht besteedden aan de probleemsituatie. In termen van belangrijk objectgerelateerd gedrag vertonen jonge kinderen en honden echter een hoge mate van consistentie: ze zullen niet alleen verborgen voorwerpen benaderen en bedienen, maar ze zullen ook deelnemen aan het oplossen van problemen door te "instrueren" of "op te halen". Het gedragspatroon werd door onderzoekers geïnterpreteerd als een spontane prosociale reactie met interpersoonlijke betekenis. Katten vertonen daarentegen voornamelijk objectgerelateerd gedrag, maar vaker onder omstandigheden die consistent zijn met hun eigen interesses, en het zogenaamde 'indicatieve' gedrag van blikafwisseling (zoals heen en weer staren tussen de verzorger en de schuilplaats) is aanzienlijk minder waarschijnlijk.

Om de verstorende factor ‘of er motivatie is om deel te nemen’ te elimineren, ontwierp het onderzoek ook een ‘motivatietest’: het favoriete eten of speelgoed van elke proefpersoon werd op dezelfde manier verborgen als de test, en hun prestaties in een situatie die verband hield met hun eigen directe interesses werd getest. In dit soort experimenten verdwenen de verschillen in gerelateerd gedrag tussen de drie soorten, wat aantoont dat katten ook actief zullen deelnemen aan deze taaksituatie als het henzelf ten goede komt. Dit ondersteunt de verklaring dat “katten niet in staat zijn om deel te nemen, maar niet geneigd zijn het initiatief te nemen om anderen te helpen wanneer ze dat nodig hebben.”

Op basis hiervan wees het onderzoeksteam erop dat het eenvoudige domesticatieproces en de nauwe co-existentie met mensen niet voldoende zijn om automatisch spontane prosociale neigingen teweeg te brengen die vergelijkbaar zijn met die van mensen. De reden waarom honden zich in dergelijke hulpsituaties meer als mensenkinderen gedragen, kan te maken hebben met de zeer sociale en coöperatieve aard van hun voorouders. Het hangt ook nauw samen met de selectiedruk op de lange termijn voor samenwerking en het vermogen om met mensen om te gaan tijdens het domesticatieproces van honden. Deze factoren vormen samen de speciale samenwerkingsvaardigheden van honden bij interacties tussen soorten, waardoor ze eerder spontaan hulpgedrag tegenover mensen vertonen zonder expliciete instructies, terwijl katten alleen aan soortgelijke situaties deelnemen als het in hun eigen belang is.